De ander als mens blijven zien

Er was geen betere geschiedenisleraar dan meneer Van der Donk. Zijn populariteit had hij voor een groot deel te danken aan de verhalen over zijn kat Wolkje, wiens onbetekenende avonturen wekelijks groots werden uitgemeten voordat we aan de daadwerkelijke les begonnen. Maar hij is me vooral bijgebleven als de man die me een beetje meer van de Tweede Wereldoorlog liet begrijpen.

De Tweede Wereldoorlog heeft mij van jongs af aan angst aangejaagd. De beelden van concentratiekampen, gezinnen die gevoelloos uit elkaar werden gerukt, de zwakkeren zonder pardon vergast, de sterken gebruikt als machines tot ze dood neervielen. En dat onvoorstelbaar onmenselijke 'werk' werd gedaan door hele gewone mensen. Hoe heeft zoiets ooit werkelijkheid kunnen worden? En als het toen mogelijk was, waarom dan niet nu?

Een groot deel van de lessen van Van der Donk bestond uit het bestuderen van spotprenten en propagandamateriaal en het was daar dat ik mijn antwoorden vond. Joden met gemene gezichten en rattenlichamen jatten op Duitse prenten uit het Interbellum alles wat los en vast zat en leefden in grote rijkdom terwijl 'het volk' nauwelijk te eten had. Dikke mannen met haakneuzen vergrepen zich aan de dochters van eerlijke, hardwerkende vaders. Onmenselijkheid bestaat slechts zolang je de ander als mens ziet, dat begrepen de nazi's als geen ander. En het werd een van hun grootste wapens.

Zo'n twintig jaar na de lessen van Van der Donk kom ik op het internet soms schrikbarend vergelijkbare plaatjes tegen. Op onschuldig schijnende websites als 9GAG worden grappige kattenplaatjes afgewisseld met memes waarin moslims met haakneuzen de westerse wereld leegroven en linkse politici onderdeel zijn van een complot om 'het blanke ras' ten val te brengen. Aan de andere kant van het web worden rechtse stemmers gelijkgesteld aan nazi's.

Hij heeft het nooit zo expliciet gezegd, maar ik vermoed dat meneer Van der Donk niet alleen sterk doordrongen was van de rol van dergelijke beeldvorming in de jaren 1930, maar ook vermoedde dat de wereld vandaag de dag helemaal niet zo heel anders is dan toen. Door ons de macht van beeldvorming te laten zien, maakte hij ons er een beetje weerbaarder tegen. Menselijkheid bestaat slechts zolang we elkaar als mens blijven zien.

Verschenen in Volzin nr. 4 - 2020

Maar één keer dertig

Als u dit leest heb ik - als God het wil - inmiddels mijn dertigste levensjaar bereikt. Het zal vast door die leeftijd komen, maar ik ben de laatste tijd nogal doordrongen van het besef dat ouder worden eenmalig is. Zoiets zou geen verbazing moeten schetsen, maar dat doet het wel. Welke dingen in je leven doe je nu maar één keer? Stel je voor dat je maar één keer in je leven zou fietsen. Die eerste keer is doodeng en na een paar tellen ga je op je bek. Maar je doet het nog een keer en nog een keer, net zo lang tot je het in de vingers hebt. Je eerste baan is misschien niet meteen een succes, maar dat is niet erg. De tweede keer heb je van je fouten geleerd en vind je iets dat beter bij je past. Of anders de derde keer. Zelfs ooit eenmalige zaken als relaties zijn tegenwoordig verre van eenmalig. Met vallen en opstaan ontdek je gaandeweg wie er bij je past en hoe je samen een leven opbouwt.

Maar dertig worden doe je, zoals ik de laatste tijd meer dan eens heb moeten aanhoren, "maar één keer". Voor zoiets ingewikkelds als ouder worden krijgen we geen tweede kans. Als ik straks eindelijk een beetje door heb wat het betekent om twintiger te zijn, ben ik geen twintiger meer. En ik zal het ook nooit meer worden. Aan het einde van de rit hebben we jarenlange levenservaring opgebouwd en dan? Dan wacht ons slechts de dood. Goed, we kunnen misschien wat wijsheid doorgeven aan de volgende generatie, maar die luistert over het algemeen slecht en moet bovendien zijn eigen wijsheden ontdekken.

Dit lijkt misschien een nogal deprimerende gedachte, maar ze roept bij mij eerder een gevoel van verwondering en ontzag op. Precies hierin zit volgens mij de grote schoonheid van het leven: dat het eenmalig is. We weten niet wat er komen gaat. Elke levensfase, iedere gebeurtenis is onbekend. We hebben van tevoren geen idee hoe het is om naar school te gaan, om student te zijn, om te werken, om kinderen te krijgen. We hebben geen idee wat wat juist is en wat niet. We doen maar wat. We worden onverwachts geraakt, we groeien en maken onherstelbare fouten. En gaandeweg ontdekken we, met een beetje geluk, iets dat we de moeite waard vinden. Iets om voor te leven.

Verschenen in Volzin nr. 2 - 2020

Echt maar niet waar

Kan ik mijn diepste gevoelens wel bij hem kwijt? Misschien is hij helemaal niet geïnteresseerd in wat mij bezighoudt, passen we toch niet zo goed bij elkaar als ik dacht, maalde het door mijn hoofd. Eerder die week had ik het met mijn vriend, Daury, gehad over waarom ik aan meditatie deed, maar mijn enthousiasme was vrij plots afgekapt door een (in mijn beleving) wat botte opmerking van zijn kant. Ik had er op het moment zelf niet al te veel van gedacht, maar de herinnering was een eigen leven gaan leiden en blijkbaar waren daar in mijn hoofd inmiddels nogal drastische conclusies aan verbonden.

De Tibetaanse monnik Tsoknyi Rinpoche vertelt graag het verhaal over een glazen brug over een ravijn die hij ooit overstak. De diepte onder hem riep zo’n heftige angstreactie op dat hij volledig verstijfde. De kans dat hij daadwerkelijk dood zou gaan was – gezien de honderdduizenden toeristen die de brug ieder jaar oversteken – nihil, maar het gevoel was daarom niet minder echt. Er ontstond een strijd tussen de emotie – het stemmetje dat gilde dat hij dood zou gaan – en de ratio die als een strenge vader zei dat hij zich niet moest aanstellen. Tsoknyi besefte op dat moment dat dit helemaal geen strijd hoeft te zijn: de emotie die hij ervoer was levensecht en tegelijkertijd wist hij dondersgoed dat hij niet zou doodgaan. Zijn angst was real but not true (echt, maar niet waar).

Later die week kwam het voorval tussen Daury en mij ter sprake. “Wat was het ergste scenario dat je je erbij voorstelde?” vroeg hij. Die vraag was confronterend: ik was niet trots op mijn gedachten en zolang ze niet uitgesproken waren, kon ik nog doen alsof ze niet bestonden. In die vraag zat echter ook de boodschap dat alle gevoelens en gedachten er mogen zijn, ongeacht de wenselijkheid of realiteit ervan. Met die accepterende houding liet hij zien dat hij mijn gevoel als echt erkende, ook al was het allemaal niet per se waar. Dat was het zetje dat ik nodig had en ik vertelde hem alles wat ik die week had gedacht. Terwijl we dit bespraken besefte ik dat ik nooit eerder bij iemand zo kwetsbaar, zo open, zo volledig mijzelf had kunnen zijn, zelfs niet tegenover mijzelf. Ik keek Daury aan en merkte nieuwe gedachten en gevoelens opkomen: ik heb nog nooit zoveel van iemand gehouden. En dat was echt én waar.

Verschenen in Volzin nr.9 2019

Grapje moet kunnen

Nadat ik uit de kast was gekomen veranderde mijn naam in het dorp waar ik opgroeide al snel in Siep (naar de voormalig zanger van De Kast). Siep was een jongen die alles prima vond; harde homograppen liet hij lachend over zich heen komen en hij maakte er vaak zelf moeiteloos een paar overheen. Ik was dan misschien homo, maar ik was niet van plan een zeurende homo te zijn.

Het was rond die tijd dat cabaretier Hans Teeuwen in het tv-programma Bimbo's en Boerka's op het matje werd geroepen voor zijn grappen over moslims, een gewaagde onderneming die pijnlijk mislukte; Teeuwen zat volledig op zijn gemak in de studio en had op iedere vraag een gevat antwoord. Een van zijn sterkste uitspraken vond ik: "Alles wat status heeft, heeft ook een vorm van macht en macht corrumpeert altijd. Er moet geridiculiseerd kunnen worden. Als dat niet meer kan, krijg je enge toestanden, dictaturen enzo." Hierin vond ik voor mijzelf een morele bevestiging van wat ik al die tijd al voelde: een grapje moet kunnen.

Toch merk ik de laatste tijd bij mezelf een groeiend ongemak over al die 'grapjes' die moeten kunnen. Veel van deze grappen hebben volgens mij namelijk evengoed een element van macht. Neem de terugkerende grap over dat moslims geitenneukers zijn, een grap die ik vaak genoeg recht in het gezicht van moslims gemaakt heb horen worden - niet verkeerd bedoeld, grapje moet kunnen. Maar intussen worden moslims op een subtiele manier wel neergezet als inferieur en ongecultiveerd. Het is een machtsspelletje. Kun je meelachen, dan ben je oké, want je doet niet moeilijk. Ga je ertegenin, dan loop je te zeuren en loop je het risico verder geridiculiseerd te worden.

Teeuwen hekelt later in het programma het 'monopolie op beledigd zijn' dat gelovigen menen te hebben: "Denken jullie dat ik op tv geen dingen zie waardoor ik mij beledigd voel? Maar je ontwikkelt daar eens schild voor, dat doe je in een vrije samenleving!" Daar zit echter volgens mij een belangrijke denkfout. Teeuwen heeft makkelijk praten met zijn 'schild'; hij behoort zelf niet tot een groep die bij voorbaat al 3-0 achterstaat in de samenleving, een groep voor wie iedere ridiculisering een steek in de rug is, een bevestiging dat ze er nooit helemaal bij zullen horen. Grappen kunnen een krachtig wapen zijn - en moeten juist daarom misschien niet altijd kunnen.

Verschenen in Volzin nr.8 - 2019

Dit nooit weer

Het is wederom rustiger bij de dodenherdenking in Vianen dan het jaar ervoor; er zijn steeds minder overlevenden en de afstand van wie na hen kwam tot de oorlog wordt groter. De oecumenische kerkdienst voorafgaand aan de herdenking – ooit vooruitstrevend – doet inmiddels gedateerd aan. De dominee weet me eerst nog te boeien met zijn preek over hoe vrijheid evengoed verantwoordelijkheid betekent, maar ik haak niet als enige af wanneer hij over de liefde van God begint.

Toch zit ik ieder jaar weer trouw in de kerkbanken, hier op de plek waar ik opgroeide. Waarom? Het is denk ik mijn leven lang vooral mijn opa geweest – en sinds vorige zomer de herinnering aan hem – die mij hier naartoe brengt. Hij sprak nauwelijks over de oorlog, maar de stilte sprak ook toen ik kind was al boekdelen. Wat hij precies heeft meegemaakt in die jaren zal ik nooit begrijpen, maar wat ik wel begrijp, is te vatten in die drie woorden die zo vaak klinken bij de herdenking: dit nooit weer.

Ook de moslimgemeenschap is al jaren bij de Viaanse dodenherdenking betrokken. Een man leest tijdens de kerkdienst een gedicht voor over een Palestijns jongetje dat ‘vuur tussen de vingers groeit’. Wanneer het gedicht in vurig Arabisch door de kerk galmt, hangt de spanning voelbaar in de lucht, hier en daar wordt ongemakkelijk in de banken geschoven. Ik weet dat veel mensen hier, zeker van de generatie die de oorlog heeft meegemaakt, moeite hebben met de groeiende aanwezigheid van de islam in Nederland. Ook de kritische boodschap van het gedicht zal niet bij iedereen even goed landen, er zitten mensen in de banken die vierkant achter Israël staan. Ik merk dat ik met gekromde tenen zit: moeten we deze spanning wel willen opzoeken tijdens zo’n toch al gevoelig moment als de dodenherdenking?

En dan vallen weer die woorden: dit nooit weer. Een van de engste dingen aan de Tweede Wereldoorlog vind ik dat het nog geen 65 jaar geleden is dat hier in het beschaafde West-Europa een bevolkingsgroep eerst werd gedemoniseerd en vervolgens bijna volledig is uitgeroeid. Het is naïef om te denken dat zoiets nu niet meer zou kunnen gebeuren. Daarom is het belangrijk om elkaar te blijven opzoeken, juist wanneer de verschillen groot zijn, juist wanneer er spanning is, om samen uit te spreken: Het is misschien niet altijd makkelijk om samen te leven, maar we gaan het nooit meer zo ver laten komen.

Mindful poepen

Met alle aandacht voor nepnieuws en de rol van social media op de democratie zouden we haast de invloed van de digitale revolutie op nog een heel ander, maar minstens zo belangrijk onderdeel van onze levens vergeten: het toiletbezoek. Vanaf de oude Grieken tot pakweg tien jaar geleden was deze ervaring vrijwel onveranderd: men zat op (of stond voor) een pot en had verder niets om handen, hooguit een verjaardagskalender om te lezen. Al werd je grot aangevallen door mammoeten of stonden de Russen voor de deur: het toiletbezoek was een (hoge)noodgedwongen niets-doen, een geschenk van rust van de natuur aan de mens.

Dit alles veranderde met de introductie van de smartphone. Plotseling hadden we op het toilet toegang tot alle informatie en entertainment ter wereld. Even poepen werd de uitgelezen kans om tussen de drukte van de dag door eenhandig met vrouwlief te appen over het avondeten, een grappig filmpje te kijken, of snel een woord in Wordfeud te leggen. Het laatste fort van rust in een steeds sneller draaiende wereld was eindelijk gesneuveld.

Een tijdje geleden was ik in een boeddhistisch klooster waar ik zittend op de wc (ik had zonder telefoon immers toch niets beters te doen) het volgende vers op de deur las: Rein noch onrein / meer noch minder / Het inzicht in interzijn / doorbreekt alle schijn. Inhoudelijk een interessante gedachte: waarom zien we poepen als ‘onrein’? Wanneer je dieper kijkt, is het niets anders dan een van de stappen in het wonderlijke proces dat onze lichamen in leven houdt en doet groeien.

Ik las in het vers echter vooral een uitnodiging om van poepen een bezinningsmomentje te maken, het weer te zien als dat geschenk van rust. Wie je ook bent en hoe vol je agenda ook is, de toiletbehoefte brengt iedereen voor een paar minuten weer even heel dicht bij de basale biologische ervaring van mens-zijn. Wie diep genoeg kijkt, kan in zijn drol het wonder van het leven zien. Waarom zou je zo’n bijzonder moment al Facebook-scrollend onbewust aan je voorbij laten gaan?

Verschenen in Volzin nr. 5 - 2019

Opruimen als religie

Sinds enkele maanden wordt er om mij heen plots overal ge-Marie-Kondo’t. Voor wie niet bekend is met het fenomeen: Marie Kondo is een glimlachende, opgeruimde Japanse mevrouw die andere mensen helpt ook opgeruimd te zijn. Daar schreef ze al eens een bijzonder succesvol boek over, maar de hype lijkt (een interessante observatie op zich) pas echt los te barsten nu ze op Netflix te vinden is met een eigen televisieprogramma waarin ze gezinnen helpt hun huis op orde te krijgen.

De beloften van Kondo’s methode gaan echter verder dan een opgeruimd huis alleen. De Engelse titel van haar boek laat zich vertalen als ‘De levensveranderende magie van opruimen’. De leidraad in haar methode is de kenmerkende vraag: Does it spark joy? (roept het vreugde op?). In het televisieprogramma legt ze in korte intermezzo’s de verschillende stappen van het opruimen uit op een manier waarin zelfs het opvouwen van rompertjes een handeling lijkt die doordrongen is van levenszin. En als ze uitlegt hoe je tijdens het opruimen de lucht kunt zuiveren met goede vibraties, lijkt ze eerder een religieus leraar dan een opruimexpert.

Opruimen als religie: op zich niet eens zo’n gek idee. Orde scheppen is een zingevende bezigheid. Daar kan onze eigen God over meepraten, hij begon niet voor niets met het scheiden van het donker van het licht en het water van het land. Weg met de betekenisloze oersoep, alles netjes waar het hoort, Marie Kondo pur sang. Kondo vraagt zich bij het opruimen boeken niet praktisch af ‘Ga ik dit nog lezen?’, maar ‘Wil ik dit meenemen mijn toekomst in?’ – is het belangrijk genoeg om ruimte in te nemen in mijn leven? Dan wordt opruimen zin geven. En een leven dat uitsluitend gevuld is met dingen die vreugde geven; is dat geen heerlijke opgeruimde belofte?

En dat is precies waar voor mij de schoen wringt. Het leven is een continu spel tussen orde en chaos. Chaos is menselijke interactie, liefde, seks. Chaos is dansen, creativiteit, emotie. Natuurlijk is het goed om af en toe even de balans op te maken en de zooi in je leven op te ruimen, maar wie alles continu zo op orde heeft als mevrouw Kondo, ontneemt het leven de nodige speelruimte. Wat dan overblijft, is een perfecte, vriendelijk glimlachende robot in een zijden jurk. Dodelijk saai.

Verschenen in Volzin nr. 4 - 2019

Opgebrand

In de afgelopen drie jaar heb ik meerdere leeftijdgenoten ten prooi zien vallen aan een burnout; energieke mensen die vol enthousiasme in het leven stonden werd van de ene op de andere dag iedere handeling te veel. Het zorgwekkende aan hun verhalen vind ik dat er maar zelden sprake was van een duidelijk aanwijsbare reden. Van buitenaf gezien lijken de meeste van hen zelfs ontspannen twintigers-levens te leiden met relatief weinig verantwoordelijkheden en genoeg geld en vrije tijd om leuke dingen te doen, een luxe die onze leeftijdgenoten zich enkele decennia terug maar zelden konden veroorloven. Hoe kan het dat zovelen dan ineens ‘opgebrand’ zijn?

Vaak wanneer ik deze vraag stel, krijg ik het antwoord ‘dat je tegenwoordig zoveel moet’, gevolgd door een opsomming van wat dan zoal: een actief sociaal leven leiden, op avontuurlijke vakanties gaan, carrière maken, mooi wonen (het liefst ergens op die drie procent van het Nederlandse grondgebied waar de huur niet te betalen is), gezond en als het kan ook nog een beetje duurzaam eten, sporten, interessante series kijken, op de hoogte zijn van en een mening hebben over de actualiteit en uiteraard van alle voorgaande zaken verslag doen op social media.

De vraag waarom dat allemaal moet kan men vervolgens maar zelden beantwoorden. En daar zit volgens mij precies het probleem. ‘Vroeger’ moest je op onze leeftijd óók van alles, zoals een huis hebben en een gezin stichten met iemand van het andere geslacht; dat moest van God, of van je omgeving, of gewoon omdat het zo hoorde. Hoe dan ook was duidelijk wat ‘het goede leven’ inhield.

De postmoderne mens heeft dergelijke beklemmende zingevingskaders (goddank) achter zich gelaten, maar raakte in paniek van toen hij de leegte zag die achterbleef. Wanhopig klampte hij zich vast aan iedere strohalm die zijn leven mogelijk een sprankje betekenis kon geven. Wie gaf ons de spons waarmee we de hele horizon konden wegvegen, vraagt Nietzsche’s dwaas zich angstig af. Waar begeven wij ons heen? Dolen wij niet rond, als door een oneindig niets? We kunnen niet zomaar onze zingevingskaders weggooien en verwachten dat het wel goed komt, we zullen op z’n minst zelf aan de slag moeten met de vraag wat de juiste richting is; anders tollen we inderdaad doelloos door de ruimte, continu heen en weer geslingerd door alles wat op ons pad komt. Niet gek dat je dan een keer opgebrand raakt.

Verschenen in Volzin nr. 3 - 2019

Januari

Ik heb me vandaag maar de moeite bespaard de gordijnen open te doen, ik weet al wat zich aan de andere kant bevindt. Motregen, grijze lucht, een dag die maar met moeite een beetje dag heeft kunnen worden, net als gisteren, net als eergisteren. Ik slaag erin vanuit mijn bed het koffieapparaat aan te zetten en rol weer terug op mijn rug. Er moet van alles vandaag. De strakke planning die ik gisteren in een vlaag motivatie voor vandaag heb gemaakt, startte drie uur geleden. Ik zet wat porno aan, maar het weet me niet te boeien.

Op internet lees ik de vertrouwde adviezen: zorg voor een dagritme, eet gezond, beweeg voldoende. Tot ongeveer half januari weet ik me daarmee over het algemeen prima staande te houden, maar op een gegeven moment is het klaar. Ook dan zijn er oplossingen in overvloed: reisjes naar Marokko en UV-lampen, beide in diverse uitvoeringen vanaf 200 euro, beloven je winterdip als sneeuw voor de zon te doen verdwijnen. Wie maar hard genoeg zijn best doet, hoeft nooit ongelukkig te zijn.

Het laatste gepruttel van het koffieapparaat sterft weg. Ik schenk een veel te grote bak in, kruip onder mijn dekbed en zet een superheldenfilm aan die ik na een kwartier verveeld weer afzet. Hoe typisch voor onze tijd, denk ik, om de winterdip gelijk weg te willen poetsen. En hoe jammer. Wat nou als we de winterdip niet als straf maar als zegen zouden zien? Het is alsof moeder natuur ons even vrij geeft, ijsvrij van de eeuwige druk om gelukkig en succesvol te zijn. Een paar weken lang hoeven we even geen zin in het leven te hebben, mag het even echt koud en donker zijn. Buiten is niets te beleven, niemand heeft zin om iets te doen. Takenlijstjes mogen verslonzen, wasjes mogen zich opstapelen, en levensdoelen mogen even op de plank gezet worden in ruil voor lamlendige lange ochtenden waarin je geen zin hebt om uit bed te komen maar eigenlijk ook niet om er in te blijven.

En altijd volgt na een paar weken ineens die ochtend waarop alles anders is. Wat het precies is, weet je niet – misschien is de grijze lucht een tint lichter, misschien floot er ergens een vogel – maar je voelt met je hele lijf: de lange nacht is voorbij. Buiten wacht het leven, het o zo mooie leven.

Verschenen in Volzin nr. 2 - 2019

Singles day

Het was Singles day in de stad, een van de vele geïmporteerde koopdagen die sinds enkele jaren in de wintermaanden de Nederlandse winkelstraten teisteren. Op deze traditionele Chinese feestdag vieren vrijgezellen dat ze trots zijn op hun vrijgezellenbestaan en dat doen ze door geld uit te geven.

’Verwen jezelf!’ schreeuwden de winkels het publiek toe. Die boodschap sprak mij wel aan en ik besloot mij richting de Media Markt te begeven om het verdriet om mijn vrijgezellenbestaan te verdringen met de kortstondige euforie van de aanschaf van een nieuwe computer. Onderweg zag ik duizenden al dan niet vrijgezelle gelijkgestemden in verschillende fasen van het aankoopproces. Het mooist waren de vluchtige momenten tussen aanschaf en consumptie: het verwachtingsvolle gezicht dat watertandend op het punt staat een donut naar binnen te werken, het voelbare ongeduld van het jongetje dat een PlayStation heeft gekocht en nu nog twintig eeuwigdurende minuten moet wachten voor hij eindelijk thuis is en kan gaan spelen. Wat een geluk is het, dacht ik, onderdeel te mogen zijn van dit hoogtepunt van de menselijke beschaving. Tweeënhalfduizend jaar geleden had de mens de Boeddha die hem leerde dat het leven lijden is en hem de weg naar bevrijding daarvan toonde. Vandaag hebben we donuts en sneakers en superdunne laptops. Wie zijn uitgaven een beetje over het jaar weet te verspreiden, hoeft nooit meer ongelukkig te zijn.

Het duurde niet lang voor ik hem had gevonden: de mooie slanke 13 inch Lenovo Ideapad 720s, het was liefde op het eerste gezicht. Prachtige dunne randen, vederlicht, en toetsen zo perfect dat mijn vingers uit zichzelf meesterwerken begonnen te typen. En hij was ook nog eens afgeprijsd, maar 850 euro! Het kon haast niet anders: dit had zo moeten zijn. Ik begon de doos al watertandend uit het schap te halen, toen ik besefte waar ik mee bezig was. De computer in mijn handen was weinig meer dan een jongere, slankere versie van de laptop waar ik al zeven jaar meer dan tevreden mee ben. Ik stond op het punt om 850 euro uit te geven om welgeteld niets in mijn leven te veranderen.

Uiteindelijk kocht ik bij de Action een lekkere grote koffiemok en fietste licht beschaamd terug naar huis om mezelf te verwennen met een flinke bak koffie. Toch maar eens lezen wat de Boeddha ook alweer over geluk te zeggen had.

Verschenen in Volzin nr. 12 - 2018

De kerstster

Een ouder stel loopt stoeiend van het station richting de stad. Ze lachen hardop, maar hun net iets te grote interesse in de zojuist opgehangen kerstverlichting verraadt de ongemakkelijkheid van hun samenzijn. Verrassend veel mensen worstelen met de poortjes die je pas doorlaten na het scannen van je OV-chipkaart. Een knappe jongen in pak staat tien minuten zenuwachtig wachtend om zich heen te kijken en vertrekt dan weer.

Een meisje met twee vrolijke staartjes aan de zijkant van haar hoofd heeft vanuit de kinderwagen op de grond gekotst, denk ik; ik heb de gebeurtenis zelf gemist. Vanuit de armen van haar vader kijkt ze vredig om zich heen terwijl haar moeder de boel met zakdoekjes en plastic zakjes probeert op te ruimen. De kleine restjes zijn weg, maar de grote gele kwak onder de kinderwagen blijf liggen. Ze lopen door. Een enkele reiziger merkt de klodder op en kijkt een paar keer om om te bepalen wat de knalgele substantie is die ze zojuist gepasseerd zijn. Een rolstoel rijdt er dwars doorheen en laat een kort spoor na. Daarna een rolkoffer. Het patroon op de tegels begint steeds meer overeenkomsten te vertonen met de kerstverlichting aan het plafond. De ster die ze hadden zien opgaan ging voor hen uit. Hoever zouden de bacteriën zich verspreiden? Misschien was de rolkoffer wel op weg naar Schiphol en belanden de laatste restjes knalgele kots over enkele uren op het tapijt van een hotelkamer in Londen.

Nog geen tien minuten na het verschijnen van de ster komt vanuit het niets een schoonmaker in fluorescerende kleding aangesneld. Hoe zou hij van de klodder hebben geweten? Ik heb de afgelopen minuten geen security gezien. Zouden potentiële schoonmaakklussen op het station met camera’s in de gaten worden gehouden? De schoonmaker gooit een stapel papieren doekjes op de kerstster en en veegt het geheel in één vloeiende beweging op. Een dweil wist ook de laatste sporen uit. Op de grote televisieschermen wordt voor de honderdste keer een nietszeggende parfumreclame afgespeeld.

De maakbare mens

Als braaf kind van het postmodernisme ben ik altijd een beetje kritisch over het ‘maakbaarheidsgeloof’ dat het fundament vormt voor de moderne samenleving. Het is allemaal mooi hoor, die wolkenkrabbers en iPhones en chemokuren, maar hoe weten we zo zeker dat we van vooruitgang kunnen spreken? Zijn we als mensheid echt verder of beter af dan toen we een duizenden jaren geleden in grotten woonden? Of is al ons geploeter uiteindelijk voor niets en is er, zoals Prediker duizenden jaren geleden al vermoedde, eigenlijk niets nieuws onder de zon?

Zo waar als die gedachte misschien mag zijn, zo verlammend is zij ook. Als het allemaal nergens toe leidt, waarom zou je dan nog ergens je best voor doen? Je kunt net zo goed de hele dag in bed blijven liggen en Netflix kijken, iets wat de postmoderne mens dan ook in toenemende mate graag doet. Voordat een dergelijk cynisme mij zou opeisen, besloot ik snel op zoek te gaan naar een flinke dosis ouderwets maakbaarheidsgeloof voor in mijn leven. En zo vond ik mijzelf totaal onverwacht op een zaterdagochtend in de sportschool. Want – zo redeneerde ik – waar is het geloof in maakbaarheid sterker dan in de kerk van de body builders, sculpters en shapers?

Inmiddels ben ik bijna twee maanden onderweg op mijn ‘reis’ (de religieuze retoriek is er niet van de lucht – een van mijn ‘groeimaatjes’ keek me vol ongeloof aan toen ik hem vertelde dat de uitspraak ‘Behandel je lichaam als een tempel’ niet van fitness-Youtuber Joël Beukers maar uit de Bijbel afkomstig is). En tot mijn eigen verbazing begin ik het steeds leuker te vinden. Daar in de Basic Fit met 45 kilo op mijn schouders ontdek ik een kant van mezelf die ik nog niet kende: Stiekem vind ik het heerlijk om een doel voor ogen te hebben en daar naartoe te werken. En er is weinig bevredigender dan na weken geploeter voorzichtig de eerste kleine beetjes vooruitgang waar te nemen.

In een tijd waarin de druk om iets van je leven te maken soms zo groot is dat het verlammend werkt, kan een beetje tegengeluid geen kwaad; het kan dan goed zijn om te beseffen dat je niet alles in de hand hebt. Maar het omgekeerde kan je evengoed verlammen en blind maken voor de mogelijkheden die je hebt om iets te bereiken. Al is het (om te beginnen) alleen maar een paar grotere spierballen.

Verschenen in Volzin nr. 11 - 2018

Blackwashing

Zoals veel mediabedrijven slaagt Netflix er de laatste tijd regelmatig in zich de woede van de conservatieve kijker op de hals te halen. Het bedrijf voert een actief diversiteitsbeleid en zet daarin onder meer in op een betere representatie van minderheden. Begin dit jaar kregen ze kritiek over zich heen vanwege het casten van twee zwarte acteurs voor de rollen van Zeus en Achilles in een historische serie over Troye. Afgelopen maand was het opnieuw raak, toen uitlekte dat voor een personage in de verfilming van boeken/game-serie The Witcher specifiek gezocht wordt naar een meisje met een minority background. ‘Blackwashing!’ riep de boze blanke man vanachter zijn toetsenbord.

Hoewel ik me gewoonlijk maar moeilijk in dergelijke kritiek kan verplaatsen, merkte ik dat ik zelf toch ook even moest slikken toen ik pasgeleden Netflix’ nieuwe cartoonserie ‘The Dragon Prince’ aanzette. De serie speelt zich af in een tamelijk traditionele fantasywereld die met haar ridders, tovenaars en kastelen traditiegetrouw sterk leunt op de Europese middeleeuwen. Alleen is de koning van het mensenrijk in deze serie zwart met dreadlocks. En hij is niet het enige overduidelijke kind van Netflix’ diversiteitsbeleid: een van de legeraanvoerders in de serie is een doofstomme vrouw. Ik ben helemaal voor meer diversiteit, maar dit voelde te…

…te wat? Onrealistisch? Want in een wereld met lichtgevende huisdierpadden, draken en magische eieren is een zwarte koning onrealistisch? Te geforceerd? Maar komt dat door het belichten van minderheden? Of juist doordat zij decennialang onderbelicht zijn geweest?

De verhalen die we elkaar vertellen bepalen hoe we de wereld zien en lange tijd werden die verhalen verteld vanuit een klein, blank mannenwereldje. Netflix slaagt in enkele jaren in iets dat Hollywood al decennialang niet wil lukken: de mainstream film uit dit kleine wereldje te bevrijden. Dat gaat met vallen en opstaan en het zal soms even wennen zijn, maar het verdient alle aanmoediging. Hoe mooi is het dat nu een hele generatie de kans krijgt op te groeien met verhalen waarin niet alleen blanke superhelden de wereld redden, gelukkige gezinnen niet alleen voor middenklasse heterostellen met een auto voor de deur zijn en blinden meer kunnen zijn dan arme bedelaars?

Verschenen in Volzin nr. 10 - 2018

Het land van de goden

Het is koud en zonnig in Asgard, het land van de goden, alsof het altijd zo is, alsof de seizoenen op deze hoogte geen invloed hebben. Onder mij drijven de wolken, daaronder de bomen en dieren. Nog verder naar beneden zijn de campers met schreeuwerige kinderen en mannen met bierbuiken op campingstoeltjes. Maar hierboven goddank niets van dat alles. Slechts zon, stenen, ijs. Hier ontspringen de rivieren die beneden machtige fjorden vormen, hier is de grond bedekt met glinsterende mineralen, de botten van oerreus Ymir, de bouwstenen waarmee de goden de aarde maakten. Het leven beneden, het geploeter van de mensen, het lijkt vanaf hier niet meer dan een absurde droom.

Ik moet ineens denken aan mijn moeder die mij een paar dagen geleden vroeg of ik mij alleen wel vermaak en voel een mengeling van boosheid en onbegrip opborrelen. Waarom altijd die nadruk op mijn alleen-zijn? Het is niet alsof ik niemand heb om mee op vakantie te gaan; ik heb de hele zomer volgepland met vrienden, laat me lekker een paar dagen alleen zijn! Het hele relaas speelt zich voor de zoveelste keer in mijn hoofd af, eenmaal begonnen is het niet meer te stoppen. Er zit geen enkele nieuwe gedachte tussen.

Dan voel ik een mildheid in mij opkomen; de woede is een klein kindje en ik de vader die liefdevol toekijkt. Boos zijn op anderen is de makkelijkste manier om niet bij jezelf naar binnen te hoeven kijken. En achter de boosheid zie ik tot mijn verbazing wel degelijk eenzaamheid. Ja, ik geniet van mijn vrijheid, maar mis soms ook iemand om bij thuis te komen, om mijn diepste gevoelens mee te delen, om ’s avonds tegen aan te kruipen. Het is voor het eerst dat ik dit gevoel durf aan te kijken, hoe lang zit het daar al verscholen? Dan komt er een andere frustratie bovendrijven: iemand zadelde mij op met extra werk – nét voor de vakantie waar ik zo aan toe was. En nog voordat de denkbeeldige ruzie in mijn hoofd begint, zie ik het ware gezicht van de frustratie: een schreeuw om een beetje rust en ruimte in mijn leven. Dan is het hek van de dam; iedere frustratie van de laatste tijd passeert de revue.

Als ik uren later om mij heen kijk, besef ik dat de lucht een stuk zachter is geworden, om mij heen zie ik weer planten en vogels. Beneden mij ligt het land van de mensen. Fluitend zet ik de afdaling in.

Verschenen in Volzin nr. 9 - 2018

Een bijzondere oudejaarsavond

Het einde van de wereld was uiteindelijk een verrassend feestelijk gebeuren. Natuurlijk had je de mensen die vooral bezig waren zich af te vragen of we dit allemaal niet hadden kunnen voorkomen. En er waren de eindtijdprofeten met hun fanatieke volgelingen, dat is in zo’n situatie nauwelijks te vermijden. Maar de meesten hadden in het licht van het nogal definitieve karakter van het hele gebeuren een vrolijkheid in zichzelf ontdekt die ze gedurende lange jaren diep hadden begraven onder belangrijke zaken als werk en burgerlijke verantwoordelijkheid. Het oranjecomité had de Voorstraat versierd met zoveel vlaggetjes dat de komeet op sommige plekken volledig aan het zicht werd onttrokken. Tafels en stoelen waren uit huiskamers naar de straten gesleept en gaven de stad een Mediterraanse aanblik, verder versterkt door de etensgeuren die de lucht vulden terwijl men zich voorbereidde op een wereldwijd laatste avondmaal. Er werd gedronken, gerookt, gedanst.

Op initiatief van de burgemeester was er midden in de Voorstraat een enorm gat gegraven waar met behulp van de brandweer een zwembad van was gemaakt. De dikke vrouw van de burgemeester had onder luid gejoel het eerste bommetje gemaakt vanaf de duikplank die uit de gevel van het stadhuis stak. De pastoor was al enkele dagen door niemand gezien. Naar verluid had een van de homo’s uit het stadje hem vlak na bekendmaking van het nieuws met duivelshoorntjes op zijn hoofd gespot bij een van de extravagante feesten die in de verschillende grote steden plaatsvonden.

De laatste uren hadden veel weg van een oudejaarsavond. Vanuit een luidspreker werden de minuten afgeteld terwijl het licht van de komeet steeds feller werd. De lucht kleurde magisch paars en oranje. Precies zeven minuten voor de inslag zette iemand Billy Joel aan op de speaker. De hele stad pakte elkaar bij de schouder en zong met tranen in de ogen: we will all go down together. En in die laatste minuten was de wereld eindelijk, voor heel even, één.

Verschenen in Volzin nr. 8 - 2018

De wasserette

Sinds twee maanden leef ik zonder wasmachine. Ik had graag beweerd dat dit een bewuste keuze is om mijn ecologische voetafdruk te verminderen, maar de waarheid is dat ik verhuisd ben en mijn nieuwe huisbaas geen wasmachine in huis wil. Er schijnt ooit een rechtenstudent te zijn geweest die tegen dit beleid in opstand kwam en sindsdien wil de huisbaas ook geen rechtenstudenten meer in huis. En dus zit er niets anders op dan op zaterdagochtend met mijn Action-tas vol vuile was naar de wasserette achter de moskee te fietsen. Ondanks de meelevende reacties uit mijn omgeving vond ik de situatie zelf eigenlijk meteen al helemaal niet zo vervelend. Ik zag mijzelf al iedere week met een grote kartonnen beker koffie en een goed boek urenlang tussen de ratelende wasmachines zitten, waar ik een knappe jongen zou ontmoeten die mijn smaak in boeken en daarna ook mijn bed zou delen.

De werkelijkheid bleek niet volledig met mijn fantasie overeen te komen. Om te beginnen ratelen de wasmachines nauwelijks. Ik vermoed dat er een dikke laag verend schuimrubber tussen de machine en de behuizing zit die dit moet voorkomen; alleen tijdens het laatste centrifugeerrondje maken ze soms een klein beetje herrie. Ten tweede duurt een was gemiddeld genomen zo’n drie kwartier waarin ik meestal ook nog even boodschappen wil doen, waardoor ik dus nauwelijks aan lezen toekom. Ten derde heb ik ontdekt dat er in de wasserette vrijwel geen knappe, lezende jongens te vinden zijn. Ik ontmoet er vooral heel veel Turkse moeders van in de veertig die weliswaar erg vriendelijk tegen me zijn, maar met wie ik liever niet het bed wil delen.

Toch ben ik langzaamaan steeds meer op het wekelijkse ritje naar de wasserette gesteld geraakt. De Kanaalstraat op zaterdagochtend is betoverend. De ochtendzon, de belofte van het weekend, de scheefgeparkeerde vrachtwagens die de halve straat blokkeren om de tientallen groentewinkels te bevoorraden, de toeterende auto’s die de andere helft van de straat in beslag nemen, de moeders met schreeuwende kinderen, de geuren die uit de bakkerijen opstijgen en altijd aan de zijkant de rokende oude mannen die het hele schouwspel gadeslaan. Je zou het allemaal maar moeten inruilen voor het gemak van een eigen wasmachine.

Verschenen in Volzin nr. 7 - 2018